Janneke Wesseling

 

AMC-magazine. 2006

Dave Meijer: ‘Ergens onder een dak onder de blauwe lucht’.

 

Dave Meijer (1955) behoort tot het soort schilders voor wie het schilderen een moeizaam proces is. Langzaam wordt het beeld aan de materie ontworsteld. Steeds moet de schilder corrigeren, bijwerken, verf weghalen, wegschuren, nieuwe lagen verf opbrengen. Meer dan eens gebeurt het dat het schilderij uiteindelijk vast komt te zitten in de verf. De openheid is verloren gegaan en het proces begint van voren af aan.

Meijer kreeg, een paar jaar geleden, genoeg van het geploeter en van het overschilderen. Hij besloot om alles te schilderen wat in hem opkwam. Niet over elkaar heen, maar naast elkaar, op klein formaat van 18 x 25 cm, 450 werkjes in totaal (450 als de uitkomst van 18 x 25). Het nam negen maanden in beslag, waarna hij de reeks exposeerde op een tentoonstelling die hij het Nulpunt noemde (in 2004, in Galerie van den Berge in Goes). Overschilderen doet Meijer sindsdien minder. Hij schildert nu vaker series. De onderdelen van een serie kunnen in aantal variëren van negen tot de 450 van het nulpunt-tentoonstelling.

‘Ergens onder een dak onder de blauwe lucht’ is de titel van een serie schilderijtjes die onlangs is verworven voor de collectie van het AMC. Meijer maakte een reeks van vier van deze series. Ze zijn ieder uniek, maar hebben dezelfde titel en zijn geschilderd naar hetzelfde idee. Het zijn landschappelijke composities waarin de horizon een belangrijke rol speelt. Meijer vervaardigde vier kisten van MDF waarin steeds dertig landschapjes van 7 x 24 centimeter zijn opgeborgen. Er is per kist een werktekening waarop staat aangegeven hoe de schilderijen geëxposeerd moeten worden: in zes verticale rijen van vijf met een onderlinge afstand van 5 centimeter, zodat de totale afmetingen 55 bij 175 cm bedragen. De volgorde ligt vast, ieder werkje is genummerd.

De serie in het AMC vertoont een breed scala aan technieken en materialen. De schriftuur is direct en expressief. Een aantal schilderijen is gedaan op paneel, andere op doek. Sommige zijn pasteus geschilderd, met dekkende verf, andere juist dun en transparant. Een enkele keer gebruikte Meijer ongeprepareerd doek dat de verf direct opzuigt, zoals papier aquarelverf opzuigt. Er zijn atmosferische, ruimtelijke beelden bij, met een verre horizon. Een zonsondergang, regensluiers boven zee. Of een dakraam dat schuin open staat. Er zijn ook meer composities; één bestaat uit ultramarijnblauwe stippels op een ondergrond van gebroken wit. Het kleurgebruik is vaak  licht en helder, met veel blauw, rood, roze en geel.

Het kistje, dat ontstaan is uit praktische overwegingen, heeft voor Meijer een bijzondere betekenis. Hij beschouwt het als een afspiegeling van zijn atelier, met het deksel als dak en de zijkanten als muren. Het atelier is belangrijk voor hem, daar is hij het liefst. Het is beperkt van omvang en er is een wand waar de schilderijen als boeken op planken staan, net als in de kist. In het boek dat verscheen bij de Nulpunt-tentoonstelling staat voorin als motto: “Mijn atelier is klein en gesloten. Het is groot en transparant.” Zo bezien zijn kist, atelier en horizon nauw met elkaar verweven. Ook de horizon is tegelijkertijd geslotenheid en weidsheid, het is een paradox van oneindigheid en gezichtseinder. De horizon is grenzeloos ver weg, wijkt altijd terug, en is tegelijkertijd de begrenzing van het zichtbare.

Meijer is geboren in Souburg (Zeeland) en groeide op in Middelburg. Nu woont hij in Goes. Hij houdt van deze provincie, die hij liefst zo min mogelijk verlaat. Hij schildert sinds hij op achtjarige leeftijd van zijn vader een zelfgemaakte kist met tubetjes olieverf kreeg. Aanvankelijk werkte hij als onderwijzer, maar toen hij 28 was besloot hij om naar de kunstacademie in Tilburg te gaan. Een klein schilderij van Morandi in museum Boijmans van Beuningen maakte hem duidelijk wat hij wilde schilderen: iets totaal vanzelfsprekends, een schilderij dat een volkomen eenheid is omdat het naar het schilderen zelf verwijst. Een schilderij waarin vorm en inhoud onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden.

De horizon en de ruimte van het Zeeuwse land ziet hij dagelijks om zich heen. Zijn schilderijen tonen de werkelijkheid, hij verzint niets, schildert beelden die hij zag en herkende. Het is schilderen vanuit het kijken, zonder politieke of maatschappelijk relevante boodschap.

Ondanks het feit dat hij nu in series schildert worstelt Meijer nog steeds met het idee van het kunstwerk als in zichzelf voltooid, autonoom object. Het verlangen naar het ene ‘ware’ schilderij blijft. Het is een calvinistische hang naar zuiverheid, ook al is hij niet gereformeerd opgevoed. Misschien ook is het iets Zeeuws, de obsessie met eerlijkheid, de strengheid. Het mag niets te veel zijn. En zoals dat gaat met zuiverheid en strengheid: het maakt extra gevoelig voor lyriek, schoonheid en zinnelijkheid. In het werk van Meijer worden op de beste momenten die lyriek en zinnelijkheid, terloops en bijna in weerwil van zichzelf, tastbaar gemaakt.